• Home
  • De basis van ADOBE Illustrator

De basis van ADOBE Illustrator

Lagen

Werken met lagen binnen Adobe Illustrator

Wanneer u complexe illustraties maakt, kan het een probleem zijn om alle items in het documentvenster in het oog te houden. Kleine items raken verborgen onder grotere, en het wordt moeilijk om illustraties te selecteren. Lagen bieden een manier om alle items te beheren waaruit de illustraties bestaan. U kunt lagen beschouwen als doorzichtige mappen die illustraties bevatten. Als u de mappen herschikt, verandert u de stapelvolgorde van de items in de illustratie. U kunt items van de ene map naar de andere verplaatsen en submappen in mappen maken.

De lagenstructuur in een document kan zo eenvoudig of complex zijn als u maar wilt. Standaard zijn alle items ondergebracht in een enkelvoudige hoofdlaag. U kunt echter nieuwe lagen maken en items daar naartoe verplaatsen. Ook kunt u op elk gewenst moment elementen tussen de lagen verplaatsen. In het deelvenster Lagen kunt u op eenvoudige wijze vormgevingskenmerken van illustraties selecteren, verbergen, vergrendelen en wijzigen. Het is zelfs mogelijk om sjabloonlagen te maken. Deze kunt u gebruiken om illustraties over te trekken en om lagen uit te wisselen met Photoshop.

U gebruikt het deelvenster Lagen (Venster > Lagen) om de objecten in een document weer te geven, te organiseren en te bewerken. Standaard bevat elk document één laag. Elk document dat u maakt, wordt weergegeven onder die laag. U kunt echter nieuwe lagen maken en items naar wens herschikken. Standaard wordt aan elke laag in het deelvenster Lagen een unieke kleur (maximaal negen kleuren) toegekend. De kleur wordt naast de laagnaam in het deelvenster weergegeven. Dezelfde kleur wordt in het illustratievenster weergegeven in het omsluitende kader, het pad, de ankerpunten en het middelpunt van een geselecteerd object. U kunt deze kleur gebruiken om in het deelvenster Lagen snel de laag te vinden die hoort bij een bepaald object. Desgewenst kunt u de kleur van de laag aanpassen.Wanneer een item in het deelvenster Lagen andere items bevat, wordt er links van de naam van het item een driehoek weergegeven. Klik op deze driehoek om de inhoud te verbergen of weer te geven. Als er geen driehoek wordt weergegeven, bevat het item geen andere items.

In het deelvenster Lagen staan er kolommen links en rechts van de lijsten. Klik op een kolom om de volgende kenmerken in te stellen:

Zichtbaarheid. Geeft aan of items in de lagen zichtbaar  of verborgen (leeg vakje) zijn en of het sjabloonlagen of omtreklagen  zijn.

Bewerkbaarheid. Geeft aan of items zijn vergrendeld of ontgrendeld. Het vergrendelingspictogram  geeft aan dat het item is vergrendeld en niet kan worden bewerkt. Een leeg vakje geeft aan dat het item is ontgrendeld en kan worden bewerkt.

Doel. Geeft aan of deze items als doel zijn aangewezen. Dat wil zeggen dat er effecten op worden toegepast en dat deze items worden aangepast als kenmerken in het deelvenster Vormgeving worden bewerkt. Het pictogram met de dubbele ring (of ) geeft aan dat het item als doel is aangewezen. Een enkele ring geeft aan dat het item niet als doel is aangewezen.

Samenvoegen van lagen

Samenvoegen en afvlakken van lagen hebben met elkaar gemeen dat objecten, groepen en sublagen worden verenigd tot een enkelvoudige laag of groep. Bij samenvoegen kunt u selecteren welke items u wilt verenigen; bij afvlakken worden alle zichtbare items in de illustratie verenigd tot een enkelvoudige laag. In beide gevallen blijft de stapelvolgorde van de illustratie gelijk, maar andere niveaueigenschappen, zoals knipmaskers, blijven niet behouden.

Als u items wilt samenvoegen tot één laag of groep, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt terwijl u klikt op de namen van de lagen of groepen die u wilt samenvoegen. U kunt ook Shift ingedrukt houden om alle items te selecteren tussen de lagen of groepen waarop u klikt. Kies vervolgens Selectie samenvoegen in het menu van het deelvenster Lagen. Items worden samengevoegd in de laag of groep die u het laatst hebt geselecteerd.

Lagen kunnen alleen met andere lagen worden samengevoegd als deze zich op hetzelfde hiërarchische niveau in het deelvenster Lagen bevinden. Evenzo kunnen sublagen alleen met andere sublagen worden samengevoegd als deze zich binnen dezelfde laag en op hetzelfde hiërarchische niveau bevinden. Objecten kunnen niet met andere objecten worden samengevoegd.

Als u lagen wilt afvlakken, klikt u op de naam van de laag waarin u de illustratie wilt verenigen. Kies vervolgens Illustratie afvlakken in het menu van het deelvenster Lagen.

 


 

OPDRACHT 2.2

Werk verder met de elementen van vorige opdracht. Plaats de getekende blaadjes, struiken en/of wolken in het lagenpalet met een chronologische volgorde.
D.w.z. dat de onderste laag de achtergrond zal zijn, alle lagen die daarop worden gebouwd vormen de tekening of artwork.
Succes!